
Dag Floris, je groeide op in Ninove. Hoe kijk je terug op die periode?
“Ik had een heel fijne jeugd. Als ik eraan terugdenk, kom ik automatisch terecht bij jeugdhuis Het Uur in Meerbeke. Dat was voor mij echt dé plek. Ik zat er constant en ben er ook beginnen repeteren met mijn eerste band. Muziek was altijd al de rode draad doorheen mijn leven, want ook thuis was het alomtegenwoordig. Mijn vader, Rufijn De Decker, was muzikant en repeteerde met zijn band gewoon bij ons thuis. Ons huis lag dan ook vol instrumenten. Dat waren vaak heel vreemde dingen uit de volksmuziek zoals draalieren of hommels. Als kind vond ik dat geweldig. Mijn moeder bracht dan weer een heel andere invloed binnen. Zij werkte in een jongerencafé in Aalst en was steeds op zoek naar nieuwe, ‘hippe’ muziek. Al die cd’s kwamen natuurlijk ook bij ons thuis terecht. Zo kwam ik al heel jong in aanraking met verschillende stijlen. Die twee werelden samen hebben mij enorm gevormd.”
Je eerste stappen als muzikant zette je dus in Ninove?
“Er waren in mijn omgeving een paar oudere gasten die al in bands speelden. Daar keek ik enorm naar op: ik luisterde hun demo’s op cassette en durfde vooral niet tegen hen te praten. Tot ik op een avond in Den Blompot, na een paar pintjes, mijn moed bijeenraapte en hen vroeg of we eens samen konden spelen. Even later stond ik daar, in het jeugdhuis, muziek te maken met mensen waar ik zo hard naar opkeek. Dat voelde als een droom die uitkwam.”
We kennen je nu als zanger en muzikant. Zette je bij je eerste band ook al beide hoedjes op?
“In het begin speelde ik gewoon gitaar. We deden veel covers, onder andere van Frank Zappa, en dat zijn vaak lange, complexe teksten. De zanger had niet altijd zin om die van buiten te leren (lacht), maar ik wel. Op een bepaald moment begon ik spontaan stukken te zingen, gewoon omdat ik de tekst kende. Zo ben ik daar eigenlijk ingerold. Ik zag mezelf totaal niet als zanger. Dat idee voelde zelfs een beetje absurd. Ik zong technisch niet goed. Integendeel! Maar ik zong wel met volle overtuiging, en dat vond ik altijd belangrijker. Ik meen elk woord dat ik zing, ook al is het niet perfect.”
Wanneer begon je jezelf wel als zanger te zien?
“Dat heeft echt lang geduurd … Pas met de band Team William is dat veranderd. Daar werd ik voor het eerst echt frontman. Arne Sunaert, met wie ik die band begon, heeft mij daarin enorm geholpen. Hij zei altijd dat ik niets moest veranderen, dat het net goed was zoals het was. Hij gaf mij het vertrouwen om los te laten. Vanaf dan ben ik als zanger en muzikant meer beginnen groeien. Ik was ook gewoon volledig bezeten door muziek. Op een bepaald moment speelde ik in acht bands tegelijk. Ik wou elke dag repeteren. Die muziek, dat was gewoon een drang.”
Vandaag werk je ook solo, en recent zelfs in het Nederlands. Vanwaar die switch?
“Ja, dat is eigenlijk heel spontaan gekomen. Ik was naar Parijs gegaan om aan een Engelstalige plaat te werken, zoals ik dat wel vaker doe: alleen op reis met mijn gitaar om te schrijven. Muziek is voor mij een soort reisgezel. Zo lang die er is, voel ik me niet alleen. Deze reis ging echter niet zoals gepland. Ik verbleef in een appartement waar ik niet mocht spelen, en ik vond nergens een plek in de stad om muziek te maken. Plots voelde ik me dus wél eenzaam, heel confronterend. Toen ik terug in Gent was, ben ik meteen naar een plek in de natuur gegaan waar ik vaak schrijf. Het kwam er daar allemaal uit, maar… in het Nederlands. Heel spontaan. Op drie weken tijd had ik een twintigtal nummers, dat bleef maar komen! Ik heb er niet te veel over nagedacht en ben gewoon beginnen opnemen.”
En dat valt duidelijk in de smaak. Je wordt gedraaid op Radio 1 en Studio Brussel.
“Dat is echt zot. Het is de best scorende muziek die ik tot nu toe heb uitgebracht. Radio 1 speelt het al maanden en ik krijg heel veel reacties. Veel mensen zeggen dat dit echt mijn taal is, dat ik hier mijn plek heb gevonden. Misschien is dat zo, ik weet het nog niet. Ik heb ook nog Engelstalige platen klaarliggen, maar ben toch opnieuw in het Nederlands aan het schrijven. Ik zie wel waar het naartoe gaat.”
Kunnen we je ook ergens live aan het werk zien binnenkort?
“Ik ga de komende maanden vooral veel solo spelen, en dat vind ik heel fijn. Er zijn een paar momenten waar ik extra naar uitkijk. Zo speel ik op 9 mei in Café Gonzo. Een thuismatch, want jeugdhuis Het Uur – waar het allemaal begon – ligt echt vlakbij. En na de zomer, op 26 september, speel ik met de band in Vinnie’s Easy Food Fair. Het wordt een grotere show, met alles erop en eraan. Ik kijk er sowieso naar uit om nieuwe nummers live te brengen. Dat blijft uiteindelijk het mooiste: de songs delen met een publiek.”
Kan je ons meenemen naar zo’n mooi moment op het podium?
“Festival Dranouter afgelopen zomer was heel speciaal. Ik had daar al gespeeld met andere bands, maar nu stond ik er met mijn eigen muziek. De cirkel was rond! Het was ooit mijn eerste festivalervaring, toen ik er als jong mannetje heen ging met mijn vader. Om daar dan zelf te mogen staan, is echt bijzonder. Mijn vader heeft het jammer genoeg niet meer kunnen meemaken. Hij had het vast prachtig gevonden.”
